Kopschoppers.
Je rent de speeltuin in met je handen gebald en met een brede glimlach op je gezicht.
Stap voor stap ren jij de rust tegemoet zoals je dat altijd doet. Langzaam ontspannen je vingers één voor één. Telkens weer zie ik de ontlading en het even niet hoeven nadenken over voor jou belangrijke dingen die jij van jezelf moet weten of kunnen.
Je broertje zit in het gras en probeert één voor één de grassprietjes uit het gras te trekken, hij houd ze hoog, bekijkt ze, schud nee en gooit ze weg. Niet goed genoeg.
In mijn ooghoek zie ik je contact maken met drie kinderen van ongeveer 12 tot 14 jaar je verbaasd ze, zoals je mij ook altijd verbaasd. Ze behandelen jou als je kleine broertje, helpen je, kletsen met je en spelen met je alsof jullie elkaar al jaren kennen. Trots ben ik op hen allemaal.
Naast jullie staan drie jongens te voetballen en rumoer te maken. Ik hou ze in de gaten zoals ik dat altijd bij alle kinderen doe, misschien komt dat wel door het moeder zijn.
Je broertje loopt de straat op, ‘neehee Z.’ en met dat ik dat zeg til ik hem op en krijg ik een schaterlach terug. Mijn lichaam draait zich om en opeens zie ik dat het fout gaat tussen de drie jongens die voetballen, twee broers schoppen en slaan de ander op zijn hoofd. Hard, heel hard. Het geluid wat door de trap word veroorzaakt gaat door merg en been.
In dit soort situaties denk ik niet na, met Z in mijn armen ren ik naar ze toe, kijk ik naar rechts en zie de drie kinderen die net met jou speelden een haag om je heen vormen. We knikken, ik weet genoeg.
De jongste van de twee die schopte en sloeg rent een huis in wat tegenover de speeltuin staat, de oudste druipt langzaam af. Mijn linker arm steek ik uit naar de blonde jongen hij zit verstopt achter een auto zijn gesnik verraadde waar hij zich klein had gemaakt. Zijn ademhaling is zwaar. ‘Kom maar, het spijt mij dat ik niet sneller was zullen we samen naar je ouders toegaan?’
En met dat hij zijn arm uitstrekt en buiten adem nog net ja kan fluisteren hoor ik achter mij een moeder en vader naar buiten toe stormen met de vraag wie er begon.
Ik analyseer haar, over analyseer. Zo’n zonnebank bruine huid, geverfd bruin-blond haar en haar rechterhand in haar zij geknepen. Met haar andere hand pakt ze de blonde jongen bij zijn hoofd beet ‘ Jij houd ook nooit op hé’
‘Sorry, uw kinderen hebben hem als eerst op zijn hoofd getrapt’
‘DAT IS NIET WAAR!’
En dan is er dat moment dat ze besluit even wat dichter bij mij te komen staan om op een hele slechte manier even iets non-verbaal duidelijk te maken. Z is de gene die tussen ons in staat, een kind van 1,5 jaar oud. Ik doe langzaam een stap naar achteren.
‘ Jullie vroegen wie er begon, ik heb het gezien en antwoord. Ik neem aan dat als een volwassen vrouw tegen u zegt’ wijzend naar de twee jongens’ dat die twee kinderen begonnen je dat in dit geval wel voor waarheid aan mag nemen en anders had u het in de eerste plaats niet moeten vragen. Is die blonde jongen uw zoon?’
‘NEEE!’
‘Zou u hem dan nu meteen los willen laten?’
Ze laat de jongen los en komt een stap dichter bij mij staan
‘HIJ HOORT BIJ ONS, MIJN KINDEREN HEBBEN NIET ALS EERSTE GETRAPT EN GESLAGEN’
‘Nee natuurlijk mevrouw uw kinderen deden niks’ met mijn doordringende blik kijk ik één van de jongens aan ‘toch?!’
Hij staart mij aan, ik staar terug zoals ik dat alleen kan doen. Hij zegt niks, natuurlijk zegt hij niks zijn moeder lost toch wel alles voor hem op. Dit zijn van die ouders die altijd bij hoog een laag beweren dat hun kinderen niks doen. Dit zijn van die ouders waar je niks mee kan, waar je netjes bij aanbelt en twee minuten later een klap bij de voordeur krijgt omdat je ‘beweerd’ dat hun kinderen problemen veroorzaken in de buurt. Hun kinderen doen niks. Nooit.
Ik kijk hun moeder aan, schud mijn hoofd en het enige wat door mijn hoofd spookt is dat blonde jongetje wat achter de schutting is verdwenen. Ik maak mij zorgen.